098. Bijbelstudie over

DE TIEN WOORDEN - ASERET HAD’VARIM

,yrbdh tr>i

 

 

De Tien Geboden op de twee Luchot [stenen tafelen] in tvm> Sh'mot [Exodus] 20:2-17 en ,yrbd D'varim [Deuteronomium] 5:6-21 zijn een samenvatting van alle 613 geboden en verboden van de Tora en om deze reden worden zij op de eerste dag van Shavuot in de sjoel gelezen, want de gehele Joodse leer en het hele Joodse geloof vindt haar oorsprong in de openbaring op de berg Sinai, die op het tijdstip van dit feest plaats vond. Eigenlijk zou dit ook het geval moeten zijn in de christelijke eredienst omdat de Eeuwige op de Pinksterdag, die ook door de christenen wordt gevierd, Zijn wet en geboden door de uitstorting van Ruach haQodesh [de Heilige Geest] in de harten van alle gelovigen heeft geschreven. Hij heeft dit weliswaar éérst aan Zijn volk Israël beloofd: “Ik zal Mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven!” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:33), maar vanaf de overweldigende manifestatie van Zijn tegenwoordigheid op de Pinksterdag is zij eveneens voor de gelovigen uit de volken: “niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende G’d, niet op tafelen van Steen, maar op tafelen van vlees in onze harten!” (2 Korinthiërs 3:3). In talrijke teksten zegt de Eeuwige in Zijn Woord, dat Hij Zijn wet, Zijn heilige Tora, met haar geboden uit liefde niet slechts aan Zijn volk Israël als een kostbaar ]tm Matan [geschenk] heeft gegeven, maar ook aan de gelovigen uit de volken die door hun geloof in de G’d van Israël en de Messias van Israël geënt zijn op de edele olijfboom: “Éénzelfde wet zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 12:49). “Wat de gemeente betreft, éénzelfde inzetting zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft; een altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslachten: gij en de vreemdeling zullen voor de Eeuwige gelijk zijn. Éénzelfde wet en éénzelfde voorschrift zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft.” (rbdmb Bamidbar [Numeri] 15:15-16). Om deze reden schrijft Sha’ul [Paulus] dan ook dat er: “geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is de Mashiach (Kolossenzen 3:11) en: “Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Yeshua haMashiach.” (Galaten 3:28). Dat wij echter zonder G’ds kracht niet in staat zijn om Zijn wil te volgen en Zijn geboden te onderhouden omdat wij zwakke mensen zijn, weet onze hemelse Vader maar al te goed! Vandaar Zijn belofte: “Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar Mijn inzettingen wandelt en naarstig Mijn verordeningen onderhoudt.” (laqzxy Yechez’qel [Ezechiël] 36:27). Met het oog op de vervulling van deze profetie heeft Yeshua nadrukkelijk gezegd: “Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij Mijn geboden bewaren! - Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door Mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren! - Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen. Wie Mij niet liefheeft bewaart Mijn woorden niet; en het woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, die Mij gezonden heeft! Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, Ruach haQodesh [de Heilige Geest], die de Vader zenden zal in Mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 14:15, 21, en 23-25). Vijftig dagen na de Opstanding van Yeshua werd deze belofte vervuld! En daarom zijn de twee tafelen met de tien Woorden die de Eeuwige op de berg Sinai aan Moshe gegeven heeft niet alleen voor de Joden, maar ook voor de gelovigen uit de volken waarlijk een geschenk uit de hemel!

 

Geschreven door G’ds vinger

 

Omdat een getuigenis alleen maar geldig is als er twee getuigen zijn, gaf de Eeuwige aan Moshe twee Luchot [stenen tafelen] in plaats van één. In elk van de beide tafelen waren vijf uitspraken van de Eeuwige gegraveerd, samen dus tien. De Bijbel spreekt overigens niet van de ‘Tien Geboden’, maar van de ‘Tien Woorden’, ofwel in het Hebreeuws ,yrbdh tr>i Aseret haD’varim, en in het Grieks Δεκάλογος Dekalogos. Daarom geniet deze term ook mijn voorkeur. In traditionele Joodse kringen wordt echter de term tvrbdh tr>i Aseret haDib’rot gehanteerd, hetgeen letterlijk vertaald de ‘Tien Uitspraken’ betekent. In de Tora lezen wij dat er sprake is van twee versies van de stenen tafelen, omdat Moshe de eerste stenen tafelen had stukgegooid toen hij zag dat de Israëlieten het gouden kalf aanbaden. Over de eerste twee tafelen lazen wij dat ze door haShem zelf waren gemaakt en dat ze ook waren beschreven door G’ds eigen vinger: “En Hij gaf aan Moshe, toen Hij geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinai, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger G’ds!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 34:1). “En Hij maakte u het verbond bekend, dat Hij u gebood te houden, de Tien Woorden, en Hij schreef ze op twee stenen tafelen!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 4:13). “Deze woorden heeft de Eeuwige tot uw gehele gemeente gesproken op de berg, uit het midden van het vuur, de wolk en de donkerheid, met luider stem, en Hij voegde daaraan niets toe; Hij schreef ze op twee stenen tafelen en gaf mij die!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:22). “En de Eeuwige gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven met de vinger G’ds, waarop al de woorden stonden, die de Eeuwige op de berg tot u gesproken had uit het midden van het vuur, op de dag der samenkomst; na verloop van veertig dagen en veertig nachten gaf de Eeuwige mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 9:10-11). Het tweede stel tafelen was weliswaar door Moshe uitgehouwen, maar eveneens door haShem beschreven: “De Eeuwige zeide tot Moshe: Houw u twee stenen tafelen gelijk de eerste, dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen, welke gij verbrijzeld hebt.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 34:1). “En hij was daar bij de Eeuwige veertig dagen en veertig nachten, brood at hij niet en water dronk hij niet, en Hij (de Eeuwige) schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de Tien Woorden.” (vers 28). Toen Moshe de Israëlieten later aan deze gebeurtenis herinnerde, vermeldde hij uitdrukkelijk dat de Eeuwige zelf de tafelen voor de tweede maal beschreef: “Toen zeide de Eeuwige tot mij: Houw u twee stenen tafelen gelijk de eerste, klim tot Mij op de berg, en maak u een houten ark; dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen, welke gij verbrijzeld hebt, en gij zult ze in de ark leggen. En ik maakte een ark van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen gelijk de eerste; toen beklom ik de berg met de twee tafelen in mijn hand. En Hij schreef op de tafelen met hetzelfde schrift als de eerste maal, de Tien Woorden, die de Eeuwige op de berg tot u gesproken had uit het midden van het vuur op de dag der samenkomst; en de Eeuwige gaf ze mij. (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 10:1-4). Dit zijn de Tien Woorden die de Eeuwige tot Moshe heeft gesproken en die op de beide tafels staan geschreven:

 

1. Ik ben de Eeuwige, uw G’d

 

“Ik ben de Eeuwige, uw G’d, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:1 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:6).

 

Volgens de tvlvdg tvklh lib Ba’al Halachot G’dolot beginnen de Tien Woorden hier niet met een gebod, maar met de constatering van een feit. Daar valt uiteraard iets voor te zeggen, maar hoewel dit vers slechts een verklaring van een feit is en geen opdracht om iets te doen, wordt dit evengoed door bijna alle rabbijnen door de eeuwen heen beschouwd als een gebod om te geloven en te erkennen dat de Eeuwige onze G’d is, die onze voorouders bevrijd heeft uit de slavernij in Egypte. Ramban, beter bekend als Nachmanides (1194-1270), en dus niet te verwarren met Rambam, beter bekend als Maimonides (1135-1204), verklaart dat het voor elk van de navolgende geboden een noodzakelijke voorwaarde is om te beseffen dat de Eeuwige onze G’d is, want wetten kunnen immers niet worden opgelegd wanneer de identiteit van de wetgever niet bekend is en zijn autoriteit  niet is vastgesteld. Maar in dit vers wordt niet alleen Zijn identiteit als onze G’d geopenbaard, maar ook als onze Bevrijder en daarom zou men het ook kunnen vertalen met: “Ik ben de Eeuwige, uw G’d, die u verlost en bevrijd heeft!” Deze openingsformule vinden wij ook terug in de naam van Yeshua, onze Verlosser en Bevrijder!

 

2. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben

 

“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Eeuwige, uw G’d, ben een naijverig G’d, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:2-6 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:7-10).

 

Dit gebod lijkt mij niet meer dan logisch, want afgoderij wordt in de hele Bijbel nadrukkelijk verboden. Maar let op: het gaat daarbij niet om een algeheel verbod op beelden zoals men in de protestantse kerken veronderstelt, want de Eeuwige heeft immers zelf opdracht gegeven om beelden te maken van cherubs op de ark en in de tempel. Het gaat Hem in dit verbod op het maken van beelden en het daarvoor neerknielen op de eerste plaats om de afgoden die door deze beelden aanschouwelijk worden gemaakt om dan vervolgens als voorwerp van aanbidding en verering te fungeren. Toch mag men hierbij beslist niet zo naïef zijn om te veronderstellen dat de hier verboden beelden op zich onschuldig zouden zijn omdat er geen afgoden zouden bestaan, want er is immers maar één G’d. Deze gedachte leeft wel bij talrijke christenen, maar is beslist niet Bijbels gefundeerd. Nergens staat geschreven dat er maar één G’d zou zijn. Er staat weliswaar geschreven: “G’d is één!” (Dt 6:4) maar niet: “Er is maar één G’d”. Dat is niet hetzelfde! Als er geen andere goden zouden bestaan, dan hoefde Adonai niet nadrukkelijk te zeggen: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!” Nee, ze zijn er wel en de Eeuwige eist van ons dat wij een keuze maken voor Hem, want ook Yeshua heeft ons nadrukkelijk gezegd dat wij geen twee heren kunnen dienen (Mt 6:24)! Dat komt in andere vertalingen nog duidelijker naar voren dan in de NBG. Ik zal er twee noemen: “Vereer naast mij geen andere goden! Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de Eeuwige, uw G’d, duld geen andere goden naast mij!” (Nieuwe Bijbelvertaling). “U zult geen andere goden hebben ten koste van Mij! U zult geen beelden maken in de vorm van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. Buig niet voor hen en vereer hen niet, want Ik, de Eeuwige uw G’d, ben een jaloerse G’d!” (Willibrord-vertaling). Deze goden zijn dus geen verzinsel van mensen, maar zij bestaan echt! Het zijn demonische machten die gebruik maken van de verbeelding van degenen die hen dienen en aanbidden. De toevoeging “voor Mijn aangezicht”, in het Hebreeuws ynp9li al panai, wordt door Rashi vertaald met “in Mijn aanwezigheid”, d.w.z. “zolang als Ik besta”. G’d is eeuwig, en dus is ook dit verbod permanent. Talrijke gelovigen hebben echter wel een probleem met het volgende vers, waarin staat: “Voor de schuld van de ouders laat Ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze Mij haten!” (NBV). Hoe valt dit te rijmen met G’ds liefde? Waarom de onschuldige kinderen en kleinkinderen straffen voor iets wat zij zelf niet gedaan hebben? Dat is toch niet rechtvaardig? Weet u, juist daarom is het zo belangrijk om tekst met tekst te vergelijken, want de Eeuwige is wel degelijk rechtvaardig hetgeen duidelijk uit laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 18:20 blijkt, want daar zegt de Eeuwige: “Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon!” Het ene staat haaks op het andere zou je zeggen, en toch spreekt de Eeuwige Zichzelf daarmee niet tegen, want als wij nog een keer goed kijken wat er nu precies in het 2e gebod staat, dan zien we dat de Eeuwige inderdaad de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan hun kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht VAN HEN DIE HEM HATEN! Ziet u wat ik bedoel? Het verschil tussen de beide teksten zit in deze toevoeging! Rashi legt uit dat alleen de kinderen die de zonden van hun ouders en grootouders bewust overnemen en zich zelf eigen maken, gerekend kunnen worden tot hen, die de Eeuwige haten, omdat de familiare zonden zich dan namelijk ophopen en als normaal worden gezien, waardoor ze zich in die familie uiteindelijk tot een bepaalde levensstijl ontwikkelen. G’d heeft iedereen een vrije wil gegeven waardoor ook de kinderen een eigen keuze kunnen maken en zich van de zonden uit het voorgeslacht kunnen distantiëren door te kiezen voor haShem! Hiervoor vinden wij een prachtig voorbeeld in het verhaal van Gid’on [Gideon]. In ,ytp> Shof’tim [Richteren] 6:25-31 lezen wij, dat hij het altaar dat zijn vader voor de afgod Ba’al gebouwd had, gesloopt en de gewijde Asherapaal, die ernaast stond omgehakt heeft om vervolgens op die plek een altaar voor de Eeuwige op te richten en met het hout van de omgehakte Asherapaal een vuur te maken om een stier voor haShem te offeren waardoor hij duidelijk afstand had genomen van de afgoderij die zijn familie pleegde en daarmee aantoonde dat zijn liefde voor Adonai voorging boven het eren van zijn vader en zijn moeder. Aan de hand van dit voorbeeld kunnen wij zien dat het 2e gebod in tvm> Sh’mot [Exodus] 20:5 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:9 niet in tegenspraak is met laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 18:20, want anders zou Gid’on [Gideon] géén Richter zijn geweest! Onze G’d is rechtvaardig en spreekt zichzelf nooit tegen!

 

3. Gij zult de naam van de Eeuwige, uw G’d, niet ijdel gebruiken

 

“Gij zult de naam van de Eeuwige, uw G’d, niet ijdel gebruiken, want Adonai zal niet onschuldig houden wie Zijn naam ijdel gebruikt!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:7 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:11).

 

Volgens rabbi Moshe ben Maimon ofwel Maimonides zegt dit vers dat het verboden is om de Naam van de Eeuwige zonder een geldige reden uit te spreken. Jitzchak Dasberg sluit zich daarbij aan en formuleert het 3e gebod in de Chumash-vertaling als volgt: “Bezig de naam van de Eeuwige, je G’d, niet voor niets, want de Eeuwige laat hem niet ongestraft, die Zijn naam zomaar bezigt!” De Talmud verklaart in traktaat tvivb> Sh’vuot 29a echter dat dit gebod het gebruik van de Naam verbiedt om daarmee de waarheid van nodeloze eden te bevestigen. De Midrash arqyv amvxnt Tan’chuma Vayiq’ra 7 gaat zelfs nog een stap verder, want daar staat: Moshe sprak tot Israël: Gelooft niet dat ik u heb toegestaan om zelfs naar waarheid in Zijn Naam te zweren!” en omdat de vroege rabbijnen het zweren bij G’d als misbruik van de heilige Naam beschouwden, gingen velen ertoe over om bij het afleggen van een eed G’ds naam te omzeilen door in plaats daarvan allerlei omschrijvingen te gebruiken zoals ‘de Almachtige’, ‘de Barmhartige’ enz., maar daar zal ik straks nog op terugkomen bij de behandeling van het 9e gebod. Wat ook onder het 3e gebod valt, is het verkeerd uitspreken van G’ds naam. Het feit wil helaas, dat er op dit moment namelijk niemand zeker weet, hoe de Naam van de Eeuwige oorspronkelijk werd uitgesproken. Hoe komt dat? Nu, de eerste taal die bij het schrijven van de Bijbel werd gebruikt, was zoals bekend het Hebreeuws, en wanneer deze Hebreeuwse taal werd geschreven, gebruikten de schrijvers alleen medeklinkers, geen klinkers! Dat is ook nu weer het geval met het moderne Ivrit. Dus met G'ds Naam deed men hetzelfde en schreef alleen de medeklinkers op. Zolang de uitspraak van de heilige Naam bij de Israëlieten bekend was, leverde dit geen probleem op. Als zij namelijk deze Naam geschreven zagen staan, vulden zij de klinkers op de juiste wijze in zonder erbij na te denken, net zoals bij alle andere woorden en namen in hun taal. Maar toen gebeurde er iets waardoor deze situatie veranderde. Op een gegeven moment ontstond onder de Israëlieten de gedachte dat het verkeerd zou zijn om G'ds Naam überhaupt uit te spreken. Wanneer deze gedachte vaste voet begon te krijgen, is onzeker. Sommigen zijn van mening, dat het begin hiervan gezocht moet worden na de Babylonische ballingschap (607-537 v.G.T.), door anderen wordt gesuggereerd dat men er in de derde eeuw v.G.T. mee ophield G'ds Naam te gebruiken. De motieven hiervoor zijn in elk geval van uiteenlopende aard. Uiteraard op de eerste plaats om daarmee het misbruik van de heilige Naam in toverformules te voorkomen. De wereld van het oude Oriënt was vroeger vol magie en occulte praktijken. Je hoefde slechts de juiste naam van een bepaalde afgod te kennen om onder het noemen van diens naam magische krachten te ontvangen. Maar het verbod omvat nog veel meer: het valse zweren onder het noemen van de heilige Naam. Of kijk om je heen: hoe vaak wordt ‘mijn G'd’ of ‘Jezus’ niet gebruikt als uitroep van verbazing, als stopwoord, of wat nog erger is: zelfs als vloek? Om algemeen misbruik voorgoed te vermijden, werd uiteindelijk besloten om de vierletterige Naam hvhy YHVH, die volgens sommigen 6823 keer, volgens anderen 6973 keer in TeNaCH [het Oude Testament] en meer dan 200 keer in B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] voorkomt, te vervangen door "Adonai" ynvda hetgeen "HEER" betekent. Alleen de Kohen haGadol [hogepriester] mocht de Naam op Yom Kipur [Grote Verzoendag] in de Tempel noemen bij het gebed en de zegen. Men motiveerde dit besluit met de veronderstelling dat de Naam van de Eeuwige zo heilig en intiem is, dat het uitspreken daarvan op enig ander moment een onvergeeflijke aanmatiging zou inhouden zo vertrouwd met G'd te zijn, dat je Hem als het ware bij Zijn voornaam mocht noemen. In de oosterse denkwijze is het immers ondenkbaar om zijn vader of laat staan een hooggeplaatst persoon bij de voornaam aan te spreken (iets wat bij talrijke moderne westerlingen tegenwoordig vrij normaal is). In de hn>m Mishna, een verzameling van rabbijnse leringen en overleveringen, die in de 3e eeuw G.T. door rabbi Yehuda haNasi [Juda de Patriarch] werd samengesteld, vinden wij enkele teksten met betrekking tot het uitspreken van de heilige Naam in de tijd van vóór de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel. Zo lezen wij in amvy Yoma 6:2 in verband met Yom Kipur [de Grote Verzoendag]: “En als de priesters en het volk, die in het voorhof stonden, de duidelijk uitgesproken Naam hoorden, zoals hij uit de mond van de Hogepriester kwam, knielden zij en bogen zij zich en wierpen zij zich op hun aangezicht en hieven aan: div ,lvil vtvklm dvbk ,> ;vrb Baruch Shem k’vod Mal’chuto l’olam va’ed [Geprezen zij de heerlijke Naam van Zijn Koninkrijk voor immer en eeuwig]!” Maar waarom hielden de Joden eigenlijk buiten de tempeldienst ermee op om G’ds Naam uit te spreken? De meest waarschijnlijke verklaring hiervoor vinden wij zoals reeds eerder aangehaald in een onjuiste toepassing van het derde gebod: “Gij zult de Naam van de Eeuwige, uw G’d, niet ijdel gebruiken, want de Eeuwige zal niet onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt”. Hij zegt hier dus wel, dat wij Zijn heilige Naam niet op onwaardige wijze mogen uitspreken, maar Hij heeft het gebruik daarvan niet helemaal verboden. Als dat zo was, dan zou Hij Zichzelf namelijk tegenspreken omdat Hij juist de wereldwijde verkondiging van Zijn Naam heeft opgedragen! Omdat de heilige Naam dus alleen nog maar op de Grote Verzoendag door de hogepriester in de Tempel mocht worden uitgeroepen, waaraan met de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 een einde kwam, staat de juiste uitspraak tot op heden derhalve helaas niet meer vast! En toch zijn er nu bepaalde kringen, die iedereen ervan willen overtuigen dat het aanroepen van de g’ddelijke Naam essentieel zou zijn voor onze behoudenis en dat het daarom van groot belang zou zijn om die Naam te kennen, huis-aan-huis door te geven en te gebruiken. Dat het daarbij echter slechts om behelpen gaat met de kunstmatige constructies “Jehovah” of “Jahwe” omdat de echte uitspraak niet meer bekend is, doet er voor hen niet toe. En zo komen wij van het ene uiterste naar het andere. Op grond van tvm> Sh'mot [Exodus] 3:15 ben ik het weliswaar niet eens met de stelling, dat G'ds Naam zo heilig is, dat men hem in het geheel niet zou mogen uitspreken, maar ik ben wel van mening dat G'ds naam inderdaad te heilig is om hem verkeerd uit te spreken! Daarom vind ik, dat men niet zomaar een naam voor de Eeuwige mag gebruiken, waarvan men alleen maar hoopt, dat die de oorspronkelijke uitspraak waarschijnlijk enigszins benadert. Een andere duidelijke overtreding van het 3e gebod in voornamelijk evangelische en charismatische kringen zijn de veelgehoorde uitspraken: “De Heer heeft tot mij gesproken!”, of: “De Heer heeft mij dit of dat laten zien!” of wat nog erger is: “De Heer heeft mij gezegd dat ik tegen jou moet zeggen dat jij dit of dat moet doen!” Ik vind dat het nu de allerhoogste tijd is, dat gelovigen eindelijk ophouden om de heilige Naam te misbruiken om daarmee hun eigen woorden kracht bij te zetten. Ik zeg dit niet om mijn broeders en zusters (meestal zijn het zusters) te bekritiseren of te vermanen, ik zeg dit ook niet om over hen te oordelen, want iedereen die zich hieraan schuldig maakt, moet dit zelf verantwoorden naar de Eeuwige toe, maar ik zeg dit om hen ernstig te waarschuwen, want deze mensen spelen letterlijk met het vuur waaraan ze zich lelijk kunnen verbranden! Het is echt levensgevaarlijk om zomaar te pas en te onpas G’ds naam te noemen om daarmee hun geloofwaardigheid op te krikken, want zij staan er kennelijk niet bij stil dat de Eeuwige zoiets echt niet door de vingers ziet! In de NBG-vertaling komt dat niet misschien niet zo duidelijk naar voren, maar in andere vertalingen des te meer. Let op: “Misbruik de naam van de Eeuwige, uw G’d, niet, want wie Zijn naam misbruikt laat Hij niet vrijuit gaan!” (Tanach in de nieuwe vertaling). “U zult de naam van de Eeuwige uw G’d niet lichtvaardig gebruiken, want de Eeuwige laat degenen die Zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft!” (Willibrord-vertaling). “Misbruik Mijn naam niet! Want ik, de Eeuwige, zal straffen wie Mijn naam misbruikt!” (Groot Nieuws Bijbel). Hou deze keiharde waarschuwing goed in gedachten als u weer de neiging voelt opkomen om aan anderen door te geven dat ‘de Heer’ dit of dat tegen u gezegd heeft! Weet u, ik geloof er wel degelijk in dat de Eeuwige u wel eens iets duidelijk wil maken, maar dat doet Hij doorgaans door middel van Zijn Woord en zeker niet door middel van een broeder of zuster die het op zijn of haar hart heeft om aan u door te geven wat ‘de Heer’ met betrekking tot u tegen hem of haar gezegd zou hebben. Bovendien zou Hij Zijn boodschap rechtstreeks aan u doorgeven en sowieso niet via een ander. We leven immers in een tijd dat de Bijbel al op schrift gesteld is. Laten we daarom echt voorzichtig zijn met onze uitspraken en niet zomaar zeggen, dat de Heer dit of dat gezegd zou hebben, want dan spreek je in feite namelijk een profetie uit waarvan het nogal zeer de vraag is of dat ook echt het geval is. Zo niet, dan heeft dat verstrekkende gevolgen, want in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 18:20-22 geeft de Eeuwige ons een duidelijke waarschuwing die wij ons allen ter harte moeten nemen: “Als een profeet de euvele moed heeft om in Mijn naam iets te zeggen dat Ik hem niet heb opgedragen, of om in de naam van andere goden te spreken, dan moet hij ter dood gebracht worden. Misschien vraagt u zich af: Is er een manier om te bepalen of een profetie al dan niet van de Eeuwige komt? Die is er inderdaad: als een profeet zegt te spreken in de naam van de Eeuwige, maar zijn woorden komen niet uit en er gebeurt niets, dan is dat geen profetie van de Eeuwige geweest. Heb geen ontzag voor een profeet die zich dat aanmatigt!” In de Groot Nieuws Bijbel staat: “Zo’n profeet spreekt geheel voor eigen rekening. Laat je door zo iemand niet van de wijs brengen!” Denk er dus twee keer over na voordat u tegen anderen zegt dat u iets namens de Eeuwige moet doorgeven.

 

4. Gedenk de Shabat dat gij die heiligt

 

“Gedenk de Shabatdag dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Shabat van de Eeuwige, uw G’d; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de Eeuwige de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Eeuwige de Shabatdag en heiligde die!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:8-11) en: “Onderhoud de Shabatdag, dat gij die heiligt, zoals de Eeuwige, uw G’d, u geboden heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de Eeuwige, uw G’d; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de Eeuwige, uw G’d, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de Eeuwige, uw G’d, geboden de Shabatdag te houden. (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:12-15).

 

In tvm> Sh’mot [Exodus] 31:16-17 herinnert haShem ons aan het Shabatgebod: “De kinderen van Israël moeten de Shabat houden door de Shabat te vieren tot in de verste geslachten als een eeuwig verbond. Tussen Mij en de kinderen van Israël is het voor eeuwig een teken dat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde gemaakt heeft, maar op de zevende dag ophield en herademde.” G’d had het niet nodig om te rusten, want Hij wordt nooit moe! Maar Hij deed het om te laten zien hoe wij dat moeten doen. Omdat ook wij moeten rusten op de zevende dag en deze zevende dag, de Shabat, moeten heiligen. Doen wij dat? Joden: ja! Messiaanse gelovigen: ja! Christenen: nee! Zij rusten op de eerste dag en hanteren de zondagsheiliging. Heeft G’d dat zo gewild? Nee! Vindt G’d dat zomaar goed? Nee! Is het dan de bedoeling dat hetgeen G’d voorgedaan heeft door alle gelovigen behoort nagevolgd te worden, zowel Israëlieten alsook de vreemdelingen in hun midden, de gelovigen uit de volken die als wilde loten zijn geënt in de edele olijfboom? Jazeker! De Shabat is de rode draad, die dwars door de hele geloofsstructuur van Israël loopt en alleen al in de Tora wordt er 32 keer over de Shabat gesproken. De dvmlt Talmud zegt hierover: “Meer dan Israël de Shabat gehouden heeft, heeft de Shabat Israël behouden en bijeen gehouden”. Helaas heerst er al eeuwenlang een sterke tendens in orthodoxe kringen om G’ds redelijke geboden op een onredelijke wijze te interpreteren, wat door Yeshua dan ook regelmatig werd veroordeeld. Zo voeren de orthodoxe Joden het vierde gebod om de Shabat te heiligen tot in het belachelijke door en stelden talloze regels op om zelfs de kleinste handeling die op de Shabat al dan niet mocht gebeuren vast te leggen. Zo wordt in vele gezinnen het wc-papier reeds een dag van tevoren afgescheurd en de losse velletjes voor de Shabat klaargelegd, om maar iets te noemen. Het spreekt voor zich dat wij hierin niet meegaan, maar dat wij ons op een Bijbels verantwoorde manier houden aan het Shabatgebod, dat wij bijvoorbeeld geen arbeidsovereenkomst aangaan waarin structureel op Shabat gewerkt moet worden, dat wij op Shabat niet gaan klussen en geen boodschappen gaan doen, maar dat wij de Shabat vieren en de Parasha gaan lezen. Het gebod om de Shabat te heiligen bestaat uit twee onderdelen: rvkz Zachor [herinneren] en rvm> Shamor [praktiseren], die wij allebei terugvinden in de beide versies tvm> Sh’mot [Exodus] 20:8 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:12 welke door ons elke week op Shabat gelezen worden: .v>dql tb>h ,vy9ta rvkz Zachor et-yom haShabat l’qad’sho! [Gedenk de Shabatdag, dat gij die heiligt!] en: .!yhla yy !vyj r>ak v>dql tb>h ,vy9ta rvm> Shamor et-yom haShabat l’qad’sho ka'asher tziv’cha Adonai Eloheicha! [Onderhoud de Shabatdag, dat gij die heiligt, zoals de Eeuwige, uw G’d, u geboden heeft!]. Het gebod om de Shabat te gedenken wordt door ons toegepast met de Qidush [heiliging d.m.v. wijn en brood onder het uitspreken van een zegenspreuk en het lezen van de beide versies van het Shabatgebod], het lezen van de Parasha en de uitleg daarvan, het zingen van Zemirot [Shabatliederen], verder door mooie kleren te dragen, gasten uit te nodigen voor een feestmaaltijd en de dag te wijden aan de Tora. Het gebod om de Shabat te praktiseren wordt door ons toegepast door ons van allerlei verboden werkzaamheden en van betalingen te onthouden door niets te kopen of te verkopen.

 

5. Eer uw vader en uw moeder

 

“Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Eeuwige, uw G’d, u geven zal!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:12) en: “Eer uw vader en uw moeder, zoals de Eeuwige, uw G’d, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en het u wèl ga in het land, dat de Eeuwige, uw G’d, u geeft!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:16).

 

De Tien Woorden staan geschreven op twee stenen tafels, vijf op de ene en vijf op de andere. Op de eerste staan de geboden betreffende de relatie met de Eeuwige, op de tweede staan de geboden betreffende de relatie met de medemens. In vhyttm Matityahu [Matthéüs] 22:37-40 vat Yeshua alle 613 ge- en verboden van de Tora samen in twee gelijkwaardige geboden: G’d liefhebben en je naaste als jezelf. Deze tweedeling van de Tora wordt in de Joodse traditie dus ook toegepast op de Tien Woorden, maar dat werpt bij het vijfde gebod, dat op de eerste tafel staat, echter wel een vraag op. Zou dat niet op de tweede tafel moeten staan? Het gebod om vader en moeder te eren gaat toch niet over de relatie met haShem? Op het eerste gezicht niet, maar als je er dieper over nadenkt toch wel. Weet u, het feit dat dit gebod om de ouders te eren op de eerste tafel staat, getuigt volgens de oude rabbijnen van het grote belang dat de Eeuwige hecht aan het eerbiedigen van vader en moeder, want wanneer mensen eerbied tonen voor hun ouders, dan beschouwt haShem dat alsof eerbied aan Hemzelf getoond wordt. In de  Babylonische Talmud staat daarover het volgende: “Onze meesters leerden: Er zijn drie partners bij de vorming van een mens: De Heilige-gezegend-zij-Hij, zijn vader en zijn moeder. Wanneer de mens zijn vader en moeder eert, zegt de Heilige-gezegend-zij-Hij: Ik reken het hun toe alsof Ik tussen hen verbleef en zij Mij eerden!” (]y>vdyq Qidushin 30b) en: “Een Mishna-leraar leerde aan Rabbi Nachman: Als iemand zijn ouders niet eerbiedigt, dan zegt Heilige-gezegend-zij-Hij: Het is maar goed dat Ik niet tussen hen verblijf, want als Ik wel bij hen was geweest, had hij Mij ook niet geëerbiedigd” (]y>vdyq Qidushin 31a). Men hoort daarom niet alleen vanuit liefde respect voor zijn vader en moeder te tonen en hen te eerbiedigen, maar ook vanuit een verplichting jegens haShem, die onze hemelse Vader is! Rabbi Abba Bar Kahana zei met betrekking tot het 5e gebod: “De Tora heeft het lichtste van alle geboden gelijkgesteld aan de gewichtigste. Het lichtste gebod betreft het laten wegvliegen van de vogelmoeder in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 22:6-7 en het gewichtigste betreft het eren van de ouders, maar bij beiden staat immers hetzelfde loon beschreven: Opdat gij lang leeft!” (]y>vdyq Qidushin 61b).

 

6. Gij zult niet moorden

 

“Gij zult niet doodslaan!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:13 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:17). Nieuwe vertaling: “Pleeg geen moord!”

 

De vaak gehoorde vertaling “Gij zult niet doden” is te algemeen en geeft onvoldoende de ware betekenis van het 6e gebod weer, waardoor het ten onrechte door tegenstanders van de krijgsdienst en de doodstraf en zelfs door vegetariërs wordt gebruikt als argument voor hun opvattingen. Het hier gebruikte Hebreeuwse woord xjr ratzach wordt echter uitsluitend toegepast voor het doden van een medemens in de privésfeer en nooit voor het doden van overheidswege zoals het uitvoeren van de doodstraf of het doden van een vijand in de oorlog. Het algemene woord voor ‘doden’ is grh harag, maar dat wordt hier niet toegepast op het 6e gebod, dat daarom in de Chumash van Dasberg vertaald is met: “Moord niet!” Op moord staat de doodstraf! Reeds in ty>arb B’reshit [Genesis] 9:6 zegt de Eeuwige tegen Noach: “Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld G’ds heeft Hij de mens gemaakt!” Dat daarmee het opzettelijk doden en dus het moorden wordt bedoeld, komt bijzonder duidelijk naar voren in arqyv Vayiq’ra [Leviticus]  24:17, waarin staat: “Wanneer iemand een mens doodslaat, moet hij onherroepelijk ter dood gebracht worden!” naar het principe dat we in vers 18 tegenkomen: “Een leven voor een leven!” Yeshua gaat daarin echter nog verder en zegt: “Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht. Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur!” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 5:21-22). De Duitsers hebben hier een prachtig woord voor, namelijk ‘Rufmord’, dat de betekenis en de inhoud van hetgeen Yeshua hier zegt, glashelder tot uitdrukking brengt. Ook de oude rabbijnen leren ons dat tot het 6e gebod ook het verbod hoort om iemand in het openbaar beschaamd te maken, want zo iemand zou zich letterlijk ‘dood’ schamen! Zo staat er in de Talmud: “Een Mishna-leraar leerde aan Rabbi Nachman, de zoon van Yitz’chaq: Iedereen, die het gezicht van zijn kameraad in aanwezigheid van velen doet verbleken, is, alsof hij bloed vergiet! Hij zei tot hem: Dat heb je voortreffelijk gezegd, ik heb het namelijk gezien, hoe de rode kleur verdwijnt en de bleekheid ervoor in de plaats komt, want bij iemand die beschaamd is wijkt net als bij een stervende de rode kleur en komt de bleekheid ervoor in de plaats!” (aiyjm abb Bava Metzia 49a). In het tractaat hbr /ra !rd Derech Eretz Raba 11 staat geschreven: “Wie zijn naaste haat behoort tot degenen die bloed vergieten!”, want de doodslag begint in het hart met de haat tegen de ander.

 

7. Gij zult niet echtbreken

 

“Gij zult niet echtbreken!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:14 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:18). Nieuwe vertaling: “Pleeg geen overspel!”

 

Hiermee wordt per definitie het gemeenschap hebben bedoeld met een vrouw die met een andere man getrouwd is, of om het met een moderne uitdrukking te noemen: het vreemdgaan! Dit is een van de ernstigste misdaden die een gelovige kan plegen omdat het huwelijk een afspiegeling is van de relatie tussen de Eeuwige met Zijn volk. Keer op keer komen wij teksten in de Bijbel tegen die spreken over de hemelse Bruidegom en Zijn aardse bruid. Ook Yeshua had het hier vaak over en het boek Openbaring spreekt over de Bruiloft des Lams! Dit verbod staat daarom parallel met het tweede gebod, het verbod op afgoderij, omdat in beide gevallen ontrouw in het spel is. Overspel zowel in het huwelijk alsook in relatie met haShem is om deze reden dan ook een misdaad waarop de doodstraf staat, zoals we in arqyv Vayiq’ra [Leviticus]  20:10 kunnen lezen: “Een man, die echtbreuk pleegt met iemands vrouw, echtbreuk pleegt met de vrouw van zijn naaste, zal zeker ter dood gebracht worden; zowel de overspeler als de overspeelster!” (NBG-vertaling) en: “Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood!” (Nieuwe vertaling). Yeshua vult dit gebod nog aan en zegt: “U hebt gehoord dat er gezegd is: Pleeg geen echtbreuk! Maar Ik zeg u: wie met begeerte naar de vrouw van een ander kijkt, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd!” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 5:27-28 in de Groot Nieuws Bijbel). Een uitspraak met precies dezelfde strekking deed ook Rabbi Shim’on Ben Lakish, beter bekend als Resh Lakish: “Gij zult niet zeggen, dat alleen hij, die met zijn lichaam overspel pleegt, een echtbreker wordt genoemd. Ook hij, die met zijn oog overspel pleegt, is een echtbreker!” (hbr arqyv Vayiq’ra Raba 23). Zowel Yeshua alsook de Talmud zeiden met deze verscherping van het 7e gebod niets nieuws, want reeds een andere Yeshua, die ruim twee eeuwen eerder leefde, Ben Sira, ook bekend als Jezus Sirach, schreef de volgende waarschuwing: “Wend je blik af van een mooie vrouw, kijk niet naar schoonheid die een ander toebehoort. De schoonheid van een vrouw doet velen dwalen en ontvlamt het vuur van de liefde. Ga nooit naast een getrouwde vrouw zitten, feest en drink niet samen met haar. Dan voel je je niet tot haar aangetrokken en ga je niet door hartstocht ten onder!” (aryc tmkvx Choch’mat Sira [Wijsheid van Sirach] 9:8-9). De orthodoxe Joden hebben zich deze waarschuwingen dermate ter harte genomen, dat mannen en vrouwen niet alleen gescheiden in de sjoel zitten, maar ook in het openbaar vervoer. In de stadsbussen van Jeruzalem die naar de wijk Mea Shearim rijden, mogen de mannen bijvoorbeeld wel lekker zitten maar de vrouwen moeten achterin staan! Zoals zij dat ook op andere terreinen van de Tora doen zoals o.a. met het Shabatgebod, schieten zij helaas ook hierin te ver door. Dat is jammer, maar het maakt de essentie van het verbod op echtbreuk wel extra duidelijk.

 

8. Gij zult niet stelen

 

“Gij zult niet stelen!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:15 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:19).

 

Het 8e gebod wordt letterlijk herhaald in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 19:11. Onze geleerden, hun aandenken zij tot zegen, leggen in het Talmud traktaat Sanhedrin 86a uit dat dit gebod op de eerste plaats betrekking heeft op het stelen van een mens om hem in slavernij te verkopen of hem als slaaf voor zich te laten werken. Op deze vorm van diefstal staat volgens de Tora de doodstraf, want in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 24:7 staat geschreven: “Wanneer iemand betrapt wordt, terwijl hij een mens, een van zijn broeders, uit de Israëlieten, rooft, en hem als slaaf behandelt en verkoopt, dan zal die dief sterven. Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen.” Het verbod geldt uiteraard ook voor de diefstal van dieren en goederen, want het is door Tora verboden om wat dan ook te stelen! Volgens de atlykm Mechilta staat gewone diefstal gelijk aan overtreding van het derde gebod, want zoals reeds gezegd stonden de Tien woorden op twee tafelen beschreven. Op de eerste tafel vijf geboden voor de relatie tussen mens en G’d tegenover vijf geboden voor de relatie tussen mens en medemens op de tweede tafel, en daarom zegt Rabbi Chanina ben Gamli’el: “Het gebod ‘Gij zult de naam van haShem niet ijdel uitspreken’ stond tegenover het gebod ‘Gij zult niet stelen’ omdat een dief, wanneer hij gepakt wordt, altijd zal zweren dat hij niets gestolen heeft!” Daarmee heeft hij wel een punt. Sha’ul [Paulus] schrijft in Efeziërs 4:28 over een nieuwe levenswandel voor degenen die tot geloof gekomen zijn: “Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige!”

 

9. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

 

“Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:16 en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:20).

 

Eigenlijk is dit 9e gebod of beter gezegd verbod gekoppeld aan het 3e, namelijk om G’ds naam niet te misbruiken bij het zweren van een meineed. Dat komt bijzonder duidelijk naar voren in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 19:11 en 12, waarin de Eeuwige zegt: “Gij zult niet liegen en gij zult elkander niet bedriegen. Gij zult bij Mijn naam niet vals zweren en zo de naam van uw G’d ontheiligen: Ik ben de Eeuwige!” Drie hoofdstukken na de eerste versie van de Tien Woorden, in tvm> Sh’mot [Exodus] 23:1, gaat de Eeuwige hier nog wat gedetailleerder op in en voegt eraan toe: “Gij zult geen vals gerucht verbreiden; gij moogt de schuldige niet helpen als misdadig getuige. Gij zult de meerderheid in het kwade niet volgen, noch in een rechtsgeding getuigenis afleggen met de meerderheid mee, om het recht te buigen! Ook zult gij een onaanzienlijke niet voortrekken in zijn rechtsgeding!” Met andere woorden: de motivatie om te liegen doet er niet toe! Of men nu een meineed zweert omwille van een persoonlijke voordeel die men daarvoor ontvangt, of men doet het uit medelijden om een arme of zwakke daarmee te helpen maakt voor G’d niets uit! Het bekende excuus van een ‘leugentje om bestwil gaat dus echt niet op!’ Laat u dat dus ook door niemand aanpraten! Men moet gewoon de waarheid spreken, punt uit! Men mag nooit en te nimmer de waarheid verdraaien en beslist geen valse getuigenissen zeggen, niet in de privésfeer en zeker niet bij de rechtbank! Sowieso is het zweren van een meineed niet alleen strafbaar volgens de Tora, maar ook volgens de burgerlijke wet. Sterker nog: volgens Yeshua moeten wij zelf helemaal niet zweren! Hij zegt: “Wederom hebt gij gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult uw eed niet breken, doch aan de Eeuwige uw eden gestand doen. Maar Ik zeg u, in het geheel niet te zweren: bij de hemel niet, omdat hij de troon van G’d is; bij de aarde niet, omdat zij de voetbank zijner voeten is; bij Jeruzalem niet, omdat het de stad van de grote Koning is; ook bij uw hoofd zult gij niet zweren, omdat gij niet één haar wit kunt maken of zwart. Laat het ‘ja’, dat gij zegt, ‘ja’ zijn, en het ‘neen’, ‘neen’; wat daar bovenuit gaat, is uit den boze!” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 5:33-37). Al de voorbeelden die Yeshua hier noemde kende Hij als Jood maar al te goed, want het was onder de Joden toen heel gebruikelijk om bij eden waarbij nadrukkelijk iets werd bezworen, de naam van de Eeuwige te vervangen door te zeggen ‘bij de hemel’, ‘bij de aarde’, ‘bij de heilige stad’, ‘bij het heiligdom’ enzovoorts, omdat de rabbijnen reeds toen al op grond van het 3e gebod het noemen van G’ds naam bij het afleggen van een eed als misbruik van de heilige Naam zagen en op één lijn stelden van een valse eed. Yeshua haakte hierop in en voegde er geheel in lijn met de rabbijnse geschriften in vers 37 aan toe: Laat het ‘ja’, dat gij zegt, ‘ja’ zijn, en het ‘neen’, ‘neen’!” Deze uitspraak moet zijn Joodse toehoorders wel bekend geweest zijn, want ook een aantal bekende rabbijnen bedienden zich bij het pleiten voor de absolute waarheid van precies dezelfde woorden. Zo zei rabbi El’azar: “Het ‘nee’ is een eed en het ‘ja’ is een eed!” (tvivb> Sh’vuot 36a) en ook rabbi Hunna heeft gezegd: “Het ‘ja’ van de rechtvaardigen is ‘ja’, en het ‘nee’ van de rechtvaardigen is duidelijk een ‘nee’!” (tvr >rdm Midrash Rut 3:8). En ook Rabbi Yose ben Yehuda zei op dezelfde wijze: “De Tora leert u dat uw ‘ja’ oprecht moet zijn en dat uw ‘nee’ oprecht moet zijn!” (aiyjm abb Bava Metzia 49a). Deze woorden, die zowel Yeshua haMashiach alsook de genoemde rabbijnen hebben gezegd met betrekking tot het zweren, worden tot op heden door alle gelovige Joden ter harte genomen, die dan ook daadwerkelijk voor de rechtbank hun instemming met ‘ja’ en hun ontkenning met ‘neen’ kenbaar maken in plaats van te zweren. Behalve de letterlijke betekenis van een verbod op het valse getuigenis bij een rechtszaak en het liegen in het algemeen, valt hieronder echter ook het verbod op roddel en laster, omdat de rabbijnen dit ook opvatten als een verbod op het afleggen van een getuigenis van iets dat men alleen maar heeft van horen zeggen en niet zelf daadwerkelijk heeft waargenomen want de atlykm Mechilta, een Midrash over traditionele halachische exegese bij het Bijbelboek Exodus, leert ons dat wie liegt voor een rechtbank er ook toe zal komen het bestaan van haShem als de Schepper te ontkennen. Het liegen is derhalve in het Joodse denken één van de ergste overtredingen!

 

10. Gij zult niets begeren dat van uw naaste is

 

“Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:17) en: “En gij zult niet begeren uws naasten vrouw, gij zult uw zinnen niet zetten op uws naasten huis, noch op zijn akker, noch op zijn dienstknecht, zijn dienstmaagd, zijn rund, zijn ezel, noch op iets, dat van uw naaste is!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 5:21).

 

Wij moeten tevreden zijn met wat wij hebben en mogen niet jaloers naar het bezit van anderen kijken, want op de begeerte volgt de daad. Het begeren van andermans vrouw leidt uiteindelijk tot echtbreuk en het begeren van andermans bezit leidt uiteindelijk tot diefstal. Zover mogen wij het niet laten komen en daarom moeten we de begeerte uit ons hoofd halen en gewoon accepteren dat de vrouw en de bezittingen van een ander voor ons onbereikbaar zijn. In het Duits zegt men doeltreffend: “Jedem das seine!” Rabbi Ibn Ezra verklaart, dat een eenvoudig boertje weliswaar verlangens kan hebben naar de dochter van zijn buurman, maar dat zijn verlangens niet zullen uitgaan naar de koningin, omdat hij weet dat die voor hem volstrekt onbereikbaar is. Mensen hebben alleen maar verlangens naar dat wat voor hen bereikbaar is. Als iemand zich echt realiseert dat de eigendommen van zijn buurman hem door haShem zelf gegeven zijn, dan zal hij daar niet zo gauw naar verlangen. Dat vind ik een wijze uitspraak.

 

Midrash over de Tien Woorden

 

Ik wil deze Bijbelstudie afsluiten met een prachtige Midrash over de Tien Woorden:Rabbi Yehoshua, de zoon van Levi, heeft gezegd: Nadat de B’nei Yis’ra’el de Tien Woorden hadden gehoord en Moshe weer naar beneden was gegaan, werd hij door haShem opnieuw naar boven geroepen om de stenen tafelen, waarop de Tien Woorden stonden geschreven, in ontvangst te nemen. Toen Moshe naar de hoogte opsteeg, begonnen de engelen te klagen bij de Heilige-gezegend-zij-Hij: “Heer van het heelal,” jammerden zij, “wat doet die aardbewoner in ons midden?” Hij sprak tot hen: “Hij komt de Tora in ontvangst nemen!” Zij zeiden echter: “Moet de verborgen kostbaarheid, die Gij voor 974 generaties voor de schepping verzegeld hebt gehouden, nu overhandigd worden aan de stervelingen? Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? (,ylht Tehilim [Psalmen] 8:5). Eeuwige, onze Heer, hoe machtig is Uw naam op heel de aarde. U die aan de hemel Uw luister toont!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 8:5). De Heilige-gezegend-zij-Hij sprak tot Moshe: “Antwoord hen!” Maar Moshe antwoordde Hem: “Heer van het heelal, ik ben bang dat ik door de adem van hun mond zal verschroeien!” Hij sprak tot hem: “Klamp je vast aan Mijn troon en antwoord hen, want er staat geschreven: Hij bedekt de aanblik van Zijn troon door daarover zijn wolken uit te spreiden!” (bvya Iyov [Job] 26:9). Toen sprak Moshe tot de engelen: “Er staat geschreven: ‘Ik ben de Eeuwige, uw G’d, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb!’ Waar waren jullie in Egypte? Waren jullie soms slaven van de farao? Wederom staat er geschreven: ‘Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!’ Leven jullie soms tussen volkeren die afgoderij bedrijven? Ook staat er geschreven: ‘Gij zult de naam van de Eeuwige, uw G’d, niet ijdel gebruiken!’ Sluiten jullie soms handelsovereenkomsten af waarbij je moet zweren? En er staat geschreven: ‘Gedenk de Shabatdag dat gij die heiligt!’ Werken jullie soms waardoor jullie Shabatrust nodig hebben? Wederom, wat staat er geschreven? ‘Eer uw vader en uw moeder!’ Hebben jullie soms ouders? De Tora zegt: “Gij zult niet doodslaan!” Is in de hemel soms bloedvergieten? Het zegt ook: ‘Gij zult niet echtbreken!’ Zijn jullie soms getrouwd waardoor jullie deze waarschuwing nodig hebben? Ook zegt de Tora: ‘Gij zult niet stelen!’ Is hier in de Hemel soms goud of zilver om te stelen? Eveneens zegt de Tora: ‘Gij zult niets begeren dat van uw naaste is!’ Is er soms jaloezie en nijd in jullie midden? Bezitten jullie soms yotser hara [slechte neigingen], zoals de menselijke wezens? Hoe zullen de Tien Woorden dan betrekking op jullie kunnen hebben? De engelen gaven toe dat Moshe gelijk had en allen werden zijn vrienden!” (Gemara tb> Shabat 88b). Wat wil deze Midrash ons zeggen? Dat de engelen in de hemel geen Tora nodig hebben, maar wij mensen hier op aarde daarentegen des te meer. Daarom heeft de Eeuwige ons in Zijn liefde de Tien Woorden als samenvatting van de 613 ge- en verboden gegeven als richtlijn voor ons leven. Zij zijn voor ons letterlijk een geschenk uit de hemel. Laten wij dit kostbare geschenk dankbaar aanvaarden en toepassen in ons eigen persoonlijk leven en niet ongelezen in de boekenkast zetten zoals velen doen met boeken die ze voor hun verjaardag hebben gekregen. Zo mogen wij vasthouden aan de woorden van ,ylht Tehilim [Psalmen] 94:12, waar geschreven staat: “Gelukkig de mens, Adonai, die door U wordt geleid en onderwezen in Uw Tora en Uw leer!” en daarom sluiten wij deze Bijbelstudie af met ,ylht Tehilim [Psalmen] 119:18 op onze lippen: !trvtm tvalpn huybav ynyi9kg Gal einai v’abita nif’laot miToratecha! - Open mijn ogen, zodat ik alle wonderen in Uw Tora kan ontdekken!” (Het Boek) en in de nieuwe vertaling: “Neem de sluier van mijn ogen, dan zal ik zien hoe wonderlijk mooi uw Tora is!” - Amen!

Werner Stauder